Na den dood van den Stadhouder Willem II zijn te Middelburg van de Reegering geweest de heeren burgemeesters Apolonius Veth en Christiaan Thibaut. Tusschen beide burgemeestersfamilies ontstond kort na 'Liesjesdag' van het jaar onzes Heeren 1652 een conflict, doordat de keukenmeid van Veth op minder nette manier werd overgeloodst in het huisgezin van burgemeester Thibaut. De scherpe, kwade tong der keukenmeid verscherpte het conflict tot een veete, doordat de deftige matrone uit Thibauts woning aan haar vriendinnen de praatjes over Veths gezin vertelde en deze niet nalieten ze in de stad van Middelburg uit te strooien, vanwaar ze door verschillende kanalen ter oore kwamen van de vrouw van burgemeester Veth, die op haar beurt haar echtvriend aanzette, het min edele gedrag van Thibauts vrouw zijn collega onder het oog te brengen. Waaraan hij dan ook op ongezouten manier voldeed.
De kwestie liep zo hoog, dat door de kuiperijen van burgemeester Veth, Thibaut werd gedwongen zijn ontslag te nemen als medebestuurder der stad en zelfs, getroffen door den ban, genoodzaakt was zich terug te trekken op zijn landgoed in Staats-Vlaanderen, waar hij mokkende en zinnende op wraak, zijn dagen sleet.
Eenige maanden na deze gebeurtenissen, op een zomerschen Zondagmorgen, terwijl de Middelburgsche luiden, zich in de Nieuwe Kerk bevonden, lei in alle stilte aan de Slikpoort een schuit aan, waaruit een schippersknecht den wal betrad, om op Thibauts bevel - deze bevond zich op de schuit - te gaan informeren of burgemeester Veth zich op dat moment in de kerk bevond. De knecht keerde terug met de tijding dat Veth in de Nieuwe Kerk aanwezig was en wel, zooals zich liet verwachten, in het "burgemeestersbocht."
Boosaardig lachend en met vastberaden stap begaf Thibaut zich naar de Groenmarkt, trad de kerk binnen en zette zich zonder blikken of blozen, tot groote ontsteltenis van burgemeester Veth naast dezen in het "bocht" alsof hij elke Zondag hier gezeten had. De dienst verliep ongestoord; al was de stichting van Middelburgs burgemeester na dit voorval nihil. De predikatie uit zijnde, maakte Thibaut een deftige buiging naar de zijde van zijn vroegere collega, spoedde zich de kerk uit en maakte, buiten gekomen, beenen om zijn schuit aan de Slikpoort, waar alles reeds tot vertrek gereed was, te bereiken en voer schielijk af naar Sluis in Vlaanderen.
Veth was over deze ongehoorde daad zóó verbolgen en er zoodanig door beleedigd, dat hij, niettegenstaande het Zondag was, onmiddellijk "Wet en Raad" beleggen liet. In deze vergadering der vroede mannen werd, na uiteenzetting van het geval, waarom sommigen lachten en anderen zich verontwaardigd toonden, maar waarover de meerderheid van meening was, dat hier een exempel moest worden gesteld, goedgevonden Thibaut te aprehendeeren. Van Koepoort tot Vlissingsche Poort, van de Kuiperspoort tot de Noordpoort, in alle richtingen werd de stad doorzocht, echter zonder resultaat, want .... Thibaut was "tot Sluis" te vinden.
Na afloop van de vergadering der Vroedschap waren aan den avond van dienzelfden Zondag ten huize van burgemeester Veth eenige heeren bijeen om het ongehoorde van het geval te bespreken. Met liet niet na den burgemeester op te hitsen en deze, "gram van woede" zijnde, sloeg met de vuist op tafel, waarbij hij zich op zoodanige wijze kwetste aan een wijnglas, dat hij zijn polsader doorsneed. Ondanks medische hulp liet het bloed zich niet stelpen; burgemeester Veth overleed den derden dag aan de opgeloopen wonde.
De tijding van Veths dood kwam ook op het landgoed in Staats-Vlaanderen, waar Thibaut ze met blijdschap vernam. Zijn vijand was uit den weg; de baan voor hem weer vrij. Na ingewonnen informaties waagde Thibaut zich aldra binnen Middelburgs muren en geraakte na zijn terugkeer al heel spoedig in de Stadsreegering.
(Dit is een deel van een artikel over de Oostkerk in Middelburg, geschreven door J. Dorleyn in het weekblad "Timotheüs" en eveneens verschenen in de Goessche Courant van 27 augustus 1932).